Eigendom woning na echtscheiding – scheidingsregeling

Het Hof Den Bosch stelde op 4 februari 2021 dat (mede) eigendom niet noodzakelijk is voor toepassing van de scheidingsregeling. Deze uitspraak heeft onzekerheid veroorzaakt in de scheidingspraktijk. De Hoge Raad heeft op 27 mei 2022 deze onzekerheid weggenomen. Ze heeft bevestigd dat (mede)eigendom van een woning een vereiste is voor toepassing van de scheidingsregeling.

Hiermee beslist de Hoge Raad anders dat Hof Den Bosch. Het Hof stelde dat (mede)eigendom voor het toepassen van de scheidingsregeling geen absoluut vereiste is. In de scheidingsregeling van art. 3.111 lid 4 van de Wet Inkomstenbelasting (hierna Wet IB) wordt volgens het Hof niet aangegeven dat de overige voorwaarden van de eigenwoningregeling, zoals eigendom van toepassing moeten zijn. Het hof kent de man aftrek van 50% van de hypotheekrente over geheel 2013 toe. Dat was bijzonder omdat de woning in zijn geheel tot het vermogen van de vrouw behoorde.

De essentie van de uitspraak van de Hoge Raad:

Volgens de Hoge Raad dient de tekst van art. 3.111 lid 4 Wet IB  in verbinding met lid 1 gelezen te worden. Het eerste lid zegt uitdrukkelijk dat er sprake moet zijn van eigendom of economisch eigendom. Deze eis komt niet te vervallen omdat deze eis niet specifiek is opgenomen in lid 4 van deze wettekst. Artikel 3.111 lid 4 Wet IB ziet op het vervallen van de eis dat de woning als “eigen woning” dient te fungeren (scheidingsregeling). De uitspraak van de Hoge Raad bevestigt de lijn waarin de afgelopen jaren is geadviseerd. Hiermee is de onzekerheid voor de adviespraktijk bij echtscheidingen weggenomen.